Voedsel, horeca & publieksveiligheid

Hoe meer functies een locatie krijgt, hoe meer verschillende verantwoordelijkheden op hetzelfde terrein samenkomen.

Een kinderboerderij met alleen dieren heeft een ander risicoprofiel dan een locatie met koffiehoek, keuken,
speelvoorzieningen, kinderfeestjes, evenementen of intensief gebruikte publieksmaterialen.
Iedere extra functie kan eigen regels én eigen beheer vragen.

Voedsel tussen dieren en bezoekers

Wanneer eten of drinken wordt bereid, opgeslagen, verkocht of verstrekt, kunnen voedselveiligheidsregels relevant zijn.
Daarbij kijken we niet alleen naar de keuken.

Ook handen, werkkleding, mest, dierverzorging, schoonmaakmaterialen, plaagdieren en bezoekersstromen kunnen invloed hebben op voedselhygiëne.
Afhankelijk van de activiteit kunnen onder andere NVWA-registratie, een voedselveiligheidsplan of hygiënecode en allergeneninformatie relevant worden.

Publiek brengt een andere verantwoordelijkheid

Bezoekers kennen de locatie niet zoals medewerkers dat doen.
Daarom spelen inrichting, routing, informatie en toezicht een grotere rol.

Een hek, trap, waterpartij of speelobject kan voor een vaste medewerker vanzelfsprekend zijn maar voor een jong kind een heel andere situatie opleveren.

Consumentenspeelgoed op een publieke locatie

Op kinderboerderijen staan geregeld kleine fietsjes, loopauto's, speelgoedtractoren of ander consumentenspeelgoed.

Dat is niet automatisch verboden.

Maar speelgoed dat voor particulier gebruik is ontworpen kan op een publieke locatie veel intensiever worden gebruikt.
Dan verdienen onder meer
geschiktheid, slijtage, reinigbaarheid, onderhoud en vervanging extra aandacht.

De wettelijke classificatie hangt bovendien mede af van het product en de gebruikssituatie. De NVWA maakt bijvoorbeeld expliciet onderscheid tussen speelgoed voor de privésfeer en speeltoestellen in openbare of semi-openbare speelomgevingen.

Bij intensief gebruik kan daardoor niet alleen productveiligheid spelen, maar ook aansprakelijkheid, hygiëne en de bredere zorgplicht van de organisatie.

Toezicht is niet zwart-wit

Niet iedere kinderboerderij hoeft naast ieder dier een medewerker te zetten.
Maar “er is geen wettelijke algemene toezichthouderplicht” betekent ook niet dat toezicht nooit nodig kan zijn.

Wanneer bezoekers vrij tussen dieren kunnen lopen, kinderen zelfstandig dieren kunnen voeren of een diergroep bekend gedrag vertoont dat extra risico geeft, moet worden beoordeeld of de inrichting zonder toezicht voldoende veilig is.

Daarbij spelen onder meer doelgroep, diergedrag, vluchtroutes, informatie, mogelijkheid voor dieren om zich terug te trekken en ervaring met eerdere incidenten.

Een veilig terrein blijft een onderhouden terrein

Bezoekersveiligheid gaat ook over heel gewone dingen:

gaten in paden, kapotte bestrating, losliggende slangen, gereedschap in publiekszones, defecte hekwerken, gladheid, modder, uitstekende delen of slecht zicht op een kruising.

Voor medewerkers zijn dit arbeidsrisico's.

Voor bezoekers kunnen dezelfde omstandigheden een zorgplicht- of aansprakelijkheidsvraag opleveren.

En voor dieren kan een defect hekwerk ineens een ontsnappingsrisico worden.

Daarom moet terreinonderhoud niet alleen als groenbeheer worden gezien, maar als onderdeel van veiligheid en borging.

Een bordje is informatie, geen veiligheidsmaatregel op zichzelf

"Niet voeren", "Betreden op eigen risico", "Kinderen onder toezicht", "Poort sluiten" Bordjes kunnen belangrijk zijn.

Maar bezoekers lezen niet ieder bord, begrijpen niet iedere instructie en gedragen zich niet altijd zoals een beheerder verwacht. Daarom moet de fysieke inrichting zoveel mogelijk het gewenste gedrag ondersteunen. Een bord Poort sluiten is bijvoorbeeld veel minder sterk wanneer de poort niet vanzelf sluit en daarachter direct een openbare weg ligt. Een waarschuwing voor gladheid vervangt niet het herstellen van een structureel slechte route. En Betreden op eigen risico ontslaat een organisatie niet automatisch van iedere mogelijke verantwoordelijkheid voor een kenbare gevaarlijke situatie. 

Veiligheid bestaat daarom uit inrichting, onderhoud, informatie én waar nodig toezicht.

Een extra activiteit verandert soms de hele locatie

Een kinderfeestje lijkt vooral een leuke commerciële of maatschappelijke activiteit Maar gedurende zo'n feest verandert het gebruik van de locatie.

Er komen groepen kinderen tegelijk. Er wordt mogelijk gegeten en gedronken. Begeleiders kennen het terrein niet altijd. Kinderen bewegen tussen dieren, speelvoorzieningen en horeca. Soms vinden activiteiten buiten normale openingstijden plaats.
Daarmee raken meerdere onderwerpen elkaar: voedselveiligheid, allergenen, toezicht, diercontact, hygiëne, speelvoorzieningen, calamiteiten en publieksrouting.

Hetzelfde geldt voor een open dag, markt of avondactiviteit. Een activiteit hoeft niet gevaarlijk te zijn om wél een andere beoordeling te vragen.

Daarom neemt KinderboerderijAdvies aanvullende functies mee in de nulmeting en wordt vervolgens bepaald welke onderdelen daadwerkelijk verdieping nodig hebben.

Niet alles wat kinderen leuk vinden is automatisch geschikt

Publieksvoorzieningen moeten niet alleen heel zijn.

Ze moeten ook passen bij de manier waarop ze gebruikt worden.
Een materiaal dat nauwelijks goed kan worden gereinigd, snel beschadigt of voortdurend verkeerd wordt gebruikt kan uiteindelijk meer beheer vragen dan een robuustere professionele oplossing.

Dat geldt zeker wanneer jonge kinderen, zorgdeelnemers of grote bezoekersaantallen gebruikmaken van dezelfde materialen.

Eerst functies inventariseren

Tijdens een nulmeting brengen we daarom ook aanvullende publieksfuncties in beeld.

Niet om zelf iedere speeltoestel-, horeca- of productinspectie uit te voeren, maar om vast te stellen waar een afzonderlijke wettelijke of specialistische route nodig kan zijn.

Zijn alle publieksfuncties van uw locatie ooit gezamenlijk bekeken?

Een nulmeting kan laten zien waar dieren, voedsel, spelen, bezoekers en beheer elkaar beïnvloeden.