Zoönosen & infectiepreventie

Dieren, mensen, werkzaamheden en omgeving vormen samen één gezondheidsvraagstuk.

Zoönosen en infectiepreventie gaan niet alleen over een handenwasbord bij de uitgang van een dierenweide.

Dieren kunnen ziekteverwekkers dragen zonder zichtbaar ziek te zijn. Blootstelling kan plaatsvinden via direct contact, maar ook via mest, urine, geboorteproducten, stof, water, modder, voer, werkmateriaal, oppervlakken en plaagdieren.

Daarbij zijn niet alleen bezoekers relevant.
Ook
medewerkers, vrijwilligers, stagiairs, zorgdeelnemers, begeleiders, kinderen en de dieren zelf kunnen onderdeel zijn van dezelfde besmettingsketen.

Op zorglocaties kan bovendien een doelgroep aanwezig zijn die door gezondheid, medicatie, leeftijd of beperking kwetsbaarder is of hygiënemaatregelen minder zelfstandig kan uitvoeren.

Daarom kijkt KinderboerderijAdvies naar de volledige keten: dier, mens, omgeving, werkzaamheden én organisatie.

Een gezond dier kan toch een risico vormen

Een dier hoeft niet zichtbaar ziek te zijn om een ziekteverwekker bij zich te dragen.

Daarom kijken we niet alleen naar zieke dieren.

Afhankelijk van diergroep en situatie kunnen bijvoorbeeld schapen, geiten, kippen en andere vogels, konijnen, knaagdieren, runderen, paarden, reptielen en andere dieren ieder eigen aandachtspunten hebben.
Ook de omgeving telt mee.

Rattenurine in een natte zone vraagt een andere beoordeling dan een konijn in een rustig binnenverblijf. Een lammerperiode vraagt andere maatregelen dan een stabiele groep volwassen dieren.

Meer dan handen wassen

Een goed handenwaspunt is essentieel, maar infectiepreventie bestaat uit meer.
Ook routing, voedselzones, schoonmaak, diergezondheid, mest, voeropslag, bezoekersgedrag, werkmethoden en de inrichting van het terrein bepalen samen het risico.
Daarom kan één zichtbaar goed onderdeel niet bewijzen dat het geheel voldoende is georganiseerd.

Handen wassen blijft een belangrijke maatregel.
Maar een kraan lost geen kruisbesmetting op wanneer dezelfde kruiwagen eerst door een mestzone en daarna door een voedsel- of publiekszone rijdt.
Een paar handschoenen helpen onvoldoende wanneer deze na vuil werk worden gedragen tijdens het openen van deuren of gebruiken van gedeeld gereedschap.
En een schoon dierenverblijf is maar een deel van het verhaal wanneer de voerkeuken, personeelsruimte, laarzen, schoonmaakmaterialen of opslag zelf vervuild blijven.
Goede infectiepreventie vraagt daarom onder andere om aandacht voor:
schoon en vuil, werkvolgorde, materiaalgebruik, reinigbaarheid, persoonlijke hygiëne, kleding, afval, ventilatie, mest, dierengezondheid en de plaats waar werkzaamheden plaatsvinden.
Arboportaal noemt bij biologische agentia expliciet bronmaatregelen, technische maatregelen, schoon/vuil-zones, schoonhouden, hygiëne, PBM en vaccinatie als mogelijke lagen van beheersing. PBM staan dus niet op zichzelf en vormen pas één van de laatste beschermingslagen.

Kruisbesmetting zit vaak in gewone dingen

Kruisbesmetting ontstaat niet alleen in een laboratorium of quarantainegebouw.

Juist dagelijkse voorwerpen kunnen een verbinding maken tussen een vuile en een schone zone. Denk bijvoorbeeld aan: een deurklink na het uitmesten, laarzen in een kantine, een mobiele telefoon tijdens dierverzorging, een kruiwagen die voor meerdere doeleinden wordt gebruikt of speelgoed dat kinderen direct na diercontact aanraken.

Consumentenspeelgoed verdient daarbij extra aandacht. Een loopauto of speelgoedtractor kan thuis prima functioneren, maar op een publieke locatie intensief door veel kinderen worden gebruikt. Als materiaal moeilijk te reinigen is, beschadigt of kleine naden en holle delen heeft waarin vuil zich verzamelt, raakt hygiëne aan productveiligheid, onderhoud en uiteindelijk mogelijk aansprakelijkheid. Dat betekent niet dat consumentenspeelgoed automatisch verboden is. Het betekent dat de organisatie bewust moet beoordelen of het materiaal geschikt blijft voor de feitelijke gebruiksomstandigheden.

Verdieping binnen Zoönosen & infectiepreventie

Biologische agentia & arbeidsgezondheid

Wanneer diergebonden risico's onderdeel worden van RI&E, bedrijfsarts en arbeidsgezondheidsbeleid.

Plaagdieren, mest, water & besmettingsroutes

Over ratten, muizen, voer, mest, urine,
modder en andere mogelijke
bronnen.

Zieke dieren, geboorte & opvangdieren

Over situaties waarin het normale
gezondheids- en bezoekersregime tijdelijk niet passend is.

Zorglocaties vragen een extra afweging

Niet iedere zorgdeelnemer is automatisch medisch kwetsbaar.

Maar binnen zorgdoelgroepen kunnen mensen voorkomen die door leeftijd, ziekte, beperking, medicatie of verminderde afweer gevoeliger zijn voor infecties. Ook kan iemand minder goed zelfstandig hygiëneregels begrijpen of uitvoeren.

RIVM-onderzoek naar zorgboerderijen benoemt onder meer diercontact, handhygiëne, besmette oppervlakken,
voedsel, mest en gezondheidsbeleid als relevante factoren.

Wanneer de organisatie een zorgaanbieder is waarop de Wkkgz van toepassing is, heeft die organisatie bovendien
een eigen wettelijke verantwoordelijkheid voor goede en veilige zorg en voor het leren van incidenten.

Dat betekent bijvoorbeeld niet dat KinderboerderijAdvies bepaalt of cliënt X een dier mag verzorgen.

Wel moet duidelijk zijn:
de zorgorganisatie beoordeelt wat vanuit de deelnemer verantwoord is, terwijl de dierlocatie moet zorgen dat de activiteit vanuit dier, omgeving, infectiepreventie en praktische veiligheid verantwoord is georganiseerd.

Ook materialen kunnen onderdeel van hygiëne zijn

Hygiëne stopt niet bij verblijven en handenwaspunten.

Ook materialen die veel worden aangeraakt verdienen aandacht.Denk bijvoorbeeld aan borstels, kruiwagens, educatiemateriaal en speelgoed.

Consumentenspeelgoed, zoals loopauto's of kleine fietsjes, kan in een publieke locatie intensiever worden gebruikt dan thuis. Sommige producten zijn lastig goed te reinigen of zijn niet ontworpen voor langdurig intensief gebruik.

Dat betekent niet dat consumentenspeelgoed automatisch verboden is.Wel moeten geschiktheid, staat, reinigbaarheid, gebruik en vervanging bewust worden beoordeeld.

Hygiëne en productveiligheid
kunnen elkaar raken

Een object kan hygiënisch onwenselijk worden voordat het zichtbaar technisch defect is.

Andersom kan intensief gebruik slijtage versnellen.

Afhankelijk van product en wijze van gebruik kunnen bovendien verschillende product- of speeltoestelregels van toepassing zijn. NVWA benadrukt bijvoorbeeld dat de wettelijke classificatie van een product mede afhangt van de gebruikssituatie.

Bij een incident kan vervolgens ook de vraag relevant worden of een organisatie passend materiaal heeft gekozen, onderhouden en gecontroleerd.

Waarom dit niet mag inkakken

Infectiepreventie is bij uitstek een onderwerp dat na verloop van tijd kan verslappen.

Een schoonmaakschema wordt niet meer afgetekend. Nieuwe vrijwilligers hebben de oorspronkelijke instructie nooit gehad. Een handenwaspunt raakt minder goed bereikbaar. Het dierbestand verandert. Er ontstaat een rattenprobleem. De voerkeuken wordt ook opslagruimte.

Op papier kan het beleid hetzelfde blijven terwijl de praktijk langzaam verandert. 
Daarom kijkt KinderboerderijAdvies niet alleen naar wat ooit is afgesproken, maar ook naar of het nog past en daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Dat is ook de reden waarom het ZooCO Kwaliteitskader werkt met periodieke én wijzigingsgestuurde borging.

Verschillende deskundigen, verschillende rollen

De dierenarts beoordeelt diergezondheid en veterinaire risico's.

De werkgever en bedrijfsarts hebben hun eigen verantwoordelijkheid voor werknemers.

De zorgorganisatie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de cliëntveiligheid waar zorgwetgeving van toepassing is.

Bij een infectieziektevraagstuk voor de publieke gezondheid kan de GGD of andere bevoegde instantie nodig zijn.

KinderboerderijAdvies neemt die rollen niet over.

Onze kracht is juist het herkennen van de grenzen en verbindingen tussen deze disciplines.

Waarom een nulmeting?

Omdat je niet aan de buitenkant kunt zien of de samenhang goed is geregeld.

Een locatie kan schoon ogen en toch kwetsbaarheden hebben rond werkzaamheden, geboorte, opvangdieren, voedsel, zorgdeelnemers, plaagdieren of materiaalgebruik.

Een nulmeting maakt eerst zichtbaar waar verdieping werkelijk nodig is.

Is infectiepreventie op uw locatie méér dan handen wassen?

Veel locaties hebben goede bedoelingen en basisvoorzieningen. Toch kunnen risico’s ongemerkt ontstaan door veranderde diergroepen, zieke dieren, plaagdieren, werkmethoden, vervuilde materialen, zorgdeelnemers of routines die door de jaren heen zijn verslapt.
Dat gaat niet alleen over bezoekers.
Ook medewerkers, vrijwilligers, stagiairs, begeleiders, zorgdeelnemers en de dieren zelf kunnen deel uitmaken van dezelfde besmettingsketen.
KinderboerderijAdvies brengt bij een nulmeting eerst in beeld waar dier, mens, werkzaamheden en omgeving elkaar raken. Waar veterinaire, arbeidsgezondheidskundige of infectieziektedeskundigheid nodig is, blijft die beoordeling bij de juiste specialist.