Dierkeuze, deskundigheid & toezicht
Niet ieder dier past bij iedere zorglocatie
Dieren kunnen veel toevoegen aan een zorglocatie, maar het houden van een dier is altijd een langdurige verantwoordelijkheid.
De keuze voor een dier hoort daarom niet te beginnen bij de vraag welk dier leuk is voor deelnemers,
maar bij de vraag of de organisatie kan bieden wat dat dier iedere dag nodig heeft.
Dat vraagt om voldoende ruimte, passende huisvesting, soortspecifieke kennis, dagelijkse verzorging, financiële mogelijkheden,
veterinaire zorg en betrouwbare achtervang. Ook moet duidelijk zijn wie deskundig toezicht houdt wanneer deelnemers,
vrijwilligers of zorgmedewerkers werkzaamheden met dieren uitvoeren.
KinderboerderijAdvies helpt zorglocaties om dierkeuze, deskundigheid,
dagelijkse verzorging en verantwoordelijkheden in samenhang te beoordelen.
Eerst bepalen of een dier werkelijk bij de locatie past
Een dier toevoegen aan een zorgboerderij of dagbestedingslocatie lijkt soms een relatief eenvoudige keuze. Er is nog ruimte op het terrein, deelnemers vinden dieren leuk of iemand biedt een dier aan waarvoor een nieuwe plek wordt gezocht.
Maar daarmee is nog niet vastgesteld dat het dier ook werkelijk bij de locatie past.
Vooraf moeten andere vragen worden gesteld. Welke natuurlijke en sociale behoeften heeft de diersoort? Hoeveel ruimte is blijvend beschikbaar? Kan de organisatie ook over vijf of tien jaar de noodzakelijke verzorging leveren? Welke kennis vraagt het dier? Hoe wordt weekend- en vakantiezorg geregeld? Wat kost goede huisvesting en noodzakelijke dierenartszorg?
Ook de functie van het dier op de locatie is relevant. Een dier dat vooral rustig in een passend verblijf wordt gehouden stelt andere eisen dan een dier dat dagelijks wordt betrokken bij activiteiten met verschillende deelnemers.
Een goede dierkeuze begint daarom niet bij het beschikbare dier, maar bij de mogelijkheden en grenzen van de organisatie.
Zorgdeskundigheid is niet automatisch dierdeskundigheid
Zorgprofessionals beschikken over deskundigheid om deelnemers te begeleiden. Dat betekent niet automatisch dat zij ook voldoende kennis hebben van diergedrag, voeding, gezondheid, huisvesting en soortspecifieke behoeften.
Andersom is iemand met veel ervaring met dieren niet vanzelfsprekend deskundig in de begeleiding van deelnemers.
Op een zorglocatie komen die twee vakgebieden samen.
Wanneer deelnemers dieren voeren, borstelen, uitmesten, verplaatsen of op een andere manier verzorgen, moet daarom duidelijk zijn wie de dierinhoudelijke kaders bepaalt. Welke werkzaamheden kunnen deelnemers uitvoeren? Welke instructie is nodig? Welke veranderingen in gedrag of gezondheid moeten worden herkend? En wanneer moet een medewerker, dierverzorger of dierenarts het overnemen?
Niet iedere zorgmedewerker hoeft dierverzorger te zijn. De organisatie moet wel kunnen aantonen waar de benodigde dierkennis aanwezig is en hoe deze beschikbaar blijft wanneer vaste medewerkers afwezig zijn.
Wat moet rond dierkeuze en deskundigheid duidelijk zijn?
Afhankelijk van de dieren en activiteiten kijken we onder andere naar:
-
Waarom de betreffende diersoort wordt gehouden.
-
Of de soort past bij de beschikbare ruimte en inrichting.
-
Of individuele dieren qua gedrag en gezondheid geschikt zijn voor hun functie.
-
Welke kennis nodig is voor dagelijkse verzorging.
-
Wie eindverantwoordelijk is voor de dieren.
-
Wie dagelijks controleert of dieren gezond zijn en normaal gedrag vertonen.
-
Welke werkzaamheden deelnemers mogen uitvoeren.
-
Wanneer deskundig toezicht noodzakelijk is.
-
Wie beslist bij afwijkend gedrag, ziekte of letsel.
-
Welke achtervang beschikbaar is bij ziekte, vakantie of personeelsuitval.
-
Hoe dierenartszorg is georganiseerd.
-
Hoe nieuwe medewerkers en vrijwilligers worden geïnstrueerd.
-
Hoe wordt beoordeeld of een dier nog steeds bij de locatie en activiteiten past.
Niet ieder onderdeel vraagt om een uitgebreid protocol. Wel moeten de verantwoordelijkheden voor medewerkers duidelijk en in de praktijk uitvoerbaar zijn.
De noodzakelijke dierzorg mag niet afhankelijk zijn van deelnemers
Het verzorgen van dieren kan voor deelnemers een waardevolle activiteit zijn. Voeren, borstelen, schoonmaken en observeren kunnen structuur, verantwoordelijkheid en betrokkenheid geven.
Maar de noodzakelijke zorg voor het dier mag niet afhankelijk worden van de mogelijkheden of aanwezigheid van deelnemers.
De organisatie blijft verantwoordelijk voor voldoende voeding, schoon drinkwater, een geschikte leefomgeving, gezondheidscontrole en tijdig ingrijpen wanneer iets niet goed gaat.
Daarom moet altijd duidelijk zijn wie controleert of werkzaamheden correct zijn uitgevoerd. Bij werkzaamheden waarvoor meer kennis of ervaring nodig is, moet deskundig toezicht beschikbaar zijn.
Ook wanneer een deelnemer een taak al jarenlang uitvoert, blijft controle nodig. Niet omdat de deelnemer die taak niet goed zou kunnen doen, maar omdat de verantwoordelijkheid voor het welzijn van het dier bij de houder en organisatie blijft liggen.
Niet ieder individueel dier is geschikt
Niet alleen de diersoort, maar ook het individuele dier moet worden beoordeeld.
Dieren verschillen in leeftijd, gezondheid, temperament, eerdere ervaringen en gevoeligheid voor prikkels. Binnen dezelfde soort kan het ene dier rustig reageren op menselijke activiteit terwijl een ander dier snel spanning opbouwt of behoefte heeft aan veel meer afstand.
Een dier met chronische pijn, angst, agressie, sterk territoriaal gedrag of een beperkte mogelijkheid om zich aan contact te onttrekken kan ongeschikt zijn voor bepaalde activiteiten.
Dat betekent niet automatisch dat het dier niet op de locatie kan blijven. Soms kan de functie worden aangepast, direct contact worden verminderd of een rustiger deel van het terrein worden gebruikt.
In andere situaties kan de conclusie zijn dat een dier niet langer passend gehouden kan worden en dat herplaatsing beter is voor het dier.
Meer dieren is niet automatisch beter
Dierenprojecten kunnen geleidelijk groeien.
Een paar dieren worden succesvol gehouden, waarna nieuwe dieren worden toegevoegd omdat er belangstelling voor is of omdat er nog ruimte lijkt te zijn. Daarbij kan ongemerkt een situatie ontstaan waarin het aantal dieren sneller groeit dan beschikbare ruimte, deskundigheid, personele capaciteit of budget.
Voor ieder nieuw dier moeten daarom opnieuw dezelfde basisvragen worden gesteld.
Is er werkelijk voldoende ruimte? Past het dier bij de bestaande groep? Is aanvullende kennis nodig?
Kunnen noodzakelijke dierenartskosten worden gedragen? Wie verzorgt het dier wanneer activiteiten of dagbesteding niet doorgaan?
De conclusie kan ook zijn dat uitbreiding niet verantwoord is.
Professionele dierhouderij betekent soms bewust besluiten géén extra dieren te nemen.
Een gekocht dierenverblijf is niet automatisch een geschikt verblijf
Een veelvoorkomende valkuil is dat een verblijf als geschikt wordt beschouwd omdat het commercieel voor die diersoort wordt verkocht.
De behoefte van het dier blijft echter bepalend.
Bij konijnen benadrukt het LICG bijvoorbeeld dat voldoende bewegingsruimte, sociaal contact en veiligheid basisvoorwaarden zijn en dat veel aangeboden verblijven te klein zijn.
Hetzelfde uitgangspunt geldt breder: een verblijf moet worden beoordeeld op de behoeften en het gedrag van de betreffende dieren en niet uitsluitend op de productomschrijving van een leverancier.
Daarom moet de huisvesting al vóór aanschaf van een dier worden meegenomen in de afweging.
De dierenarts als structurele deskundige
De dierenarts hoort niet pas in beeld te komen wanneer een dier ernstig ziek is.
Afhankelijk van diersoort en situatie kan veterinaire deskundigheid ook nodig zijn voor preventieve gezondheidszorg, vaccinaties, parasietenbeleid, voortplanting, medicatie, quarantaine en terugkerende gezondheidsproblemen.
Daarnaast kan een dierenarts belangrijke signalen geven wanneer huisvesting, voeding, groepssamenstelling of gebruik van een dier mogelijk bijdraagt aan gezondheidsproblemen.
KinderboerderijAdvies neemt de veterinaire rol niet over. Wij kijken juist naar de verbinding tussen veterinaire adviezen en de dagelijkse organisatie.
Is duidelijk welke dierenarts wordt gebeld? Wie mag beslissen over behandeling? Wordt een advies uitgevoerd en geregistreerd? En wordt bij terugkerende problemen ook gekeken naar de achterliggende omstandigheden?
Een dier dat vandaag past, hoeft niet altijd passend te blijven
Dieren, deelnemers en organisaties veranderen. Een dier wordt ouder. Gezondheid verandert. Een groep wordt groter. Een nieuwe doelgroep komt op de locatie. Activiteiten worden intensiever of een ervaren medewerker vertrekt. Daarom moet diergeschiktheid periodiek opnieuw kunnen worden beoordeeld.
Daarbij kan worden gekeken of:
- De huisvesting nog passend is.
- De sociale groep nog functioneert.
- Het dier voldoende rust krijgt.
- Het dier nog geschikt is voor de activiteiten waarbij het wordt betrokken.
- Gezondheidsproblemen invloed hebben op gedrag of belastbaarheid.
- De aanwezige kennis nog aansluit bij de gehouden dieren.
- Minder contact of aanpassing van activiteiten nodig is.
- Herplaatsing uiteindelijk een betere keuze kan zijn.
Een dier houden betekent ook bereid zijn een eerdere keuze opnieuw ter discussie te stellen wanneer het welzijn van het dier daarom vraagt.
Eerst inzicht voordat u dieren toevoegt of veranderingen doorvoert
Overweegt u nieuwe dieren, twijfelt u of bestaande dieren nog bij de locatie passen of is onduidelijk of voldoende dierdeskundigheid aanwezig is?
KinderboerderijAdvies kan dit gericht beoordelen of meenemen in een bredere quickscan of nulmeting.
Daarbij kijken we niet alleen naar één dier, maar naar de combinatie van dieren, huisvesting, medewerkers, deelnemers, activiteiten en organisatie.
Zo ontstaat een onderbouwde basis voor keuzes voordat nieuwe dieren worden aangeschaft of problemen groter worden.